LET OP : De vetgedrukte groene teksten / woorden bevatten een link naar verder verdiepende informatie.

Voor de tien gerichten beginnen we in Exodus 6.

In deze teksten heb ik me op eigentijdse wijze laten leiden door de Statenvertaling met Strong-coderingen, en heb daarbij nog in en rondom informatie verwerkt. 

 

Mozes is inmiddels 80 jaar! Als hij aan de grote missie begint die Jahweh hem opgedragen heeft.

De eerste 40 jaar is hij opgegroeid in Egypte, als prins aan het Egyptische hof.  Van geboorte is hij een Hebreeër, en werd als baby gered uit de kindermoorden, via adoptie door de dochter van de Farao. Hij moet vluchten voor zijn leven nadat hij een Egyptenaar dood heeft geslagen.

 

Na nog eens 40 jaar in de woestijn waar hij onder andere als herder leeft, wordt hij persoonlijk geroepen door de Engel Des Heren ( = de Oud Testamentische verschijning van Jezus ), vanuit de brandende doornstruik die niet verteerd.

Er ligt een grote roeping op zijn leven; het volk Israël, onder de hand en instructies van Jahweh, bevrijden uit de slavernij van Egypte.

 

 EXODUS 6

 

Dan spreekt Jahweh tegen Mozes: ‘Ik ben aan Abraham, Izak en Jacob verschenen als God de Almachtige, maar met Mijn naam Jahweh ben ik hun niet bekend geweest. En ook Mijn verbond heb ik met hen opgericht, dat Ik ze het land Kanaän zal geven. Kanaän, het land waar ze eerder als vreemdelingen gewoond hebben. Ook heb ik het lijden van mijn volk Israel gehoord tijdens de verdrukking in de slavernij onder de Egyptenaren, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht. Daarom, zeg tegen hen: Ik, Jahweh zal jullie uitleiden en onder de lasten vandaan halen die de Egyptenaren jullie opleggen, Ik zal jullie redden uit de slavernij, Ik zal jullie verlossen met een uitgestrekte arm, en door grote gerichten. En Ik zal jullie als Mijn volk aannemen, en Ik zal jullie tot een God zijn, en jullie zullen erkennen dat Ik Jahweh jullie God ben, die jullie verlost heeft uit de slavernij van Egypte. En Ik zal jullie brengen in het land, die Ik voor jullie bestemd heb, en beloofd heb te geven aan Abraham, Izak en Jacob, en Ik zal het aan jullie tot een erfdeel geven, Ik, Jahweh!’ En Mozes spreekt deze woorden tot het volk Israel, maar ze luisteren niet naar hem, ze zien het bepaald niet zitten! Ze worden inmiddels steeds harder aangepakt en moeten nog meer presteren dan gewoonlijk,.. en dat komt door deze Mozes, die ze inmiddels moeten erkennen als een boodschapper van de Levende God, de God van Abraham, Isaak en Jacob, maar door zijn bezoeken en verzoek aan de Farao om hen te laten gaan, wordt hun situatie alleen maar erger! Dan zegt Jahweh tegen Mozes:’Ik ben Jahweh! Ga naar de Farao en spreek tot Farao, de koning van Egypte, alles wat ik tot u spreek’. ‘Waarom zal de Farao naar mij luisteren?.. Het volk Israel wil al niet luisteren. Wie ben ik? En ik kan ook helemaal niet goed spreken!’ Zegt Mozes tegen Jahweh. Dan zegt Jahweh:’Mozes,.. Ik ben degene die jou tegenover de Farao zet, daarmee ben jij meer dan hij. Jij staat daar in Mijn naam. Alles wat ik jou zeg zal je tegen hem zeggen, Aaron je broer zal jouw profeet zijn. Aaron zal ook tegen de Farao spreken, dat hij de kinderen van Israel uit zijn land moet laten vertrekken. De Farao zal ervoor kiezen om jullie niet te laten vertrekken, en Ik zal zijn hart nog sterker en eigenwijzer maken zodat hij voorlopig blijft weigeren.

Zo zal Ik Mijn tekenen en Mijn wonderen gaan laten zien. Ik zal zo eigenhandig Egypte aanpakken door grote gerichten, Ik zal ze laten zien wie IK ben en zal zo Mijn kinderen, Mijn volk, uit de slavernij van Egypte halen’.

 

En zo gaan Mozes en Aaron naar het Egyptisch hof, om de instructies van Jahweh uit te voeren. Mozes is inmiddels dus 80 jaar oud als hij samen met Aaron, die 83 is, naar de Farao gaat. Als hij dit doet wordt hij ook niét tegengehouden! Hij staat met Aaron maar zo voor de Farao, hij buigt niet voor Farao. Hij staat daar in de naam van Jahweh, als vertegenwoordiger en in de autoriteit en bescherming van de enige en ware God. 

 

Mozes is ook opgegroeid aan dit Egyptische hof. Hij is ooit als een prins van Egypte en waarschijnlijk ook als broer opgegroeid met deze Farao die nu op de troon zit en als god gezien en aanbeden wordt door het volk.

Deze ‘oude bekende’ heerst nu over Egypte. Mozes is, lezen we, zelfs van hoog aanzien bij de hovelingen aan het hof van Farao en bij het Egyptische volk. Farao moet minstens groot respect voor hem hebben!

 

Jahweh maakt aan Mozes bekend dat Hij door zijn tekenen en wonderen de goden van Egypte aan gaat pakken, Hij zal ze voor schut gaan zetten! Zo zullen ook de Egyptenaren kunnen zien hoe het echt zit met de goden van Egypte en de God van Israel, voordat hij Zijn volk zal bevrijden uit de slavernij.

Mozes is natuurlijk ook bekend met het leven, de cultuur en deze afgoden. De afgoden die de Egyptenaren aanbidden en vereren, en waar heel de cultuur en het leven op ingericht en gebouwd wordt, zijn geen verzinsels.

Achter elke Egyptische ‘godheid’ gaat een demonische macht schuil, een kwade geestelijke macht die ervoor zorgt dat de mensen gebukt en in angst door het leven gaan. Ze moeten de goden zo goed mogelijk dienen, want als ze dat niet doen zullen ze gestraft worden, in dit leven en in het hiernamaals. Zo’n leven heeft Jahweh niet bedoeld voor de mens die Hijzelf uit en tot liefde geschapen heeft. Vijanden van de mens zijn vijanden van Jahweh!

 

 

 

 

Het Egyptische volk stamt af van Mitsraim (Mitsraim betekent Egypte). Hij was één van de zonen van Cham, en Cham was een zoon van Noach.

 

Jahweh  spreekt tegen Mozes en Aaron: ‘Wanneer de farao straks tot jullie spreekt en uitdaagt om een wonderteken te doen, dan zeg jij, Mozes, tegen Aaron, dat hij zijn staf voor de Farao neer moet werpen. De staf zal tot een monsterachtige slang/ draak worden.

En zo gebeurd het dat Mozes en Aaron voor de Farao verschijnen en de opdracht van Jahweh ten uitvoer brengen, want Farao vraagt inderdaad een wonderteken van die God in wiens naam zij komen spreken. Aaron werpt daarop zijn staf voor de Farao en zijn dienaren, de staf veranderd in de voorzegde monsterachtige slang!

De Farao roept de wijzen, zijn waarzeggers en tovenaars erbij en geeft opdracht hetzelfde te doen. Met hun bezweringen gooien ze ook hun staf neer en ook hun staf veranderd in een monsterachtige slang!

Farao heeft weinig tijd om triomfantelijk te denken dat ze machtiger zijn, want de slang van Mozes en Aaron verslindt al de slangen van de tegenpartij!

Dit is een schokkend gebeuren en een gevoelige nederlaag, wat gebeurt hier?!

Deze slang is niet zomaar een slang, de grondtekst spreekt over een draakachtig wezen, hier wordt Apophis aangepakt en tot verliezer gemaakt, een grote slangendemon. Vertegenwoordiger van de duisternis, de macht van het kwaad. Vijand nummer één,.. satan zelf.

Demonen hebben de macht om zich in verschillende gedaantes te transformeren en zich te openbaren.

De slang, met name de cobra komt veel voor, en werd ook gebruikt op de hoofdtooien van de farao’s.

Als het gaat over de slang of draak in de Schriften, hebben we altijd te maken met satan zelf, vertegenwoordigers van hem, of als beeld van de zonde.

 

Farao is nu gewaarschuwd, maar in zijn hart verzet hij zich, geen denken aan dat hij die Israëlieten zal laten gaan! En dat had Jahweh al voorzegd aan Mozes en Aaron. 

 

 

Jahweh zegt tegen Mozes:’Farao’s hart is onveranderlijk, hij weigert het volk te laten gaan. Morgenvroeg ga je weer naar Farao, hij gaat dan naar het water toe. Stel je op tegenover hem, aan de oever van de rivier, en de staf, die in een slang veranderd is geweest, zul je in je hand nemen. Zeg dan tot hem; Jahweh, de God van de Hebreeën, heeft mij naar u toegezonden, en Hij zegt: Laat mijn volk gaan! Zodat ze mij kunnen dienen in de woestijn. 

Je hebt tot nu toe niet geluisterd en gedaan wat ik zeg. Je zult weten dat ik Jahweh ben; let op, ik zal met deze staf, die in mijn hand is, op het water dat in deze rivier is slaan, en het water zal in bloed veranderd worden. 

De vissen zullen sterven en de rivier zal gaan stinken. De Egyptenaren zullen tevergeefs proberen om het water te drinken, grote uitputting zal het voor ze zijn. 

En dan spreekt Jahweh tot Mozes; zeg tegen Aaron: Neem uw staf, en steek je hand uit over de wateren van de Egyptenaren, over hun stromen en rivieren, hun poelen en verzamelplekken van water, dat het allemaal bloed zal worden; in heel Egypte zal er bloed zijn, zelfs in houten en in stenen vaten. 

En zo doen Mozes en Aaron naar de opdracht van Jahweh. Aaron heft de staf op en slaat op het water dat in de rivier is, voor de ogen van Farao en al zijn bedienden, wordt al het water in de rivier in bloed veranderd! 

De vis die in de rivier is sterft, en daarmee begint de rivier verschrikkelijk te stinken. De Egyptenaren kunnen het water niet meer drinken, en zo is er bloed in het hele land! 

Maar ook de Egyptische tovenaars weten met hun bezweringen het voor elkaar te krijgen dat water in bloed veranderd, zodat Farao’s hart zich versterkt en hij niet wil luisteren en gehoorzamen aan de opdracht om Israel te laten gaan, Jahweh had dit al voorzegd. 

Farao keert zich om en gaat naar huis, hij laat alles voor wat het is. Maar alle Egyptenaren zijn aan het graven rondom de rivier, om water te kunnen vinden, want het water in de rivier kan niet meer gedronken worden. 

De tovenaars konden met hun bezweringen dan wel water in bloed veranderen, maar ze zijn duidelijk niet bij machte om het weer ongedaan te maken. De plaag duurt zeven dagen, en dan keert Jahweh dit lijden af van het Egyptische volk. Zeven dagen lang is de rivier de Nijl door Jahweh helemaal ongeschikt gemaakt om van te leven. 

Hiermee brengt Hij grote vernedering aan meerdere (rivier)goden, zoals Osiris, Hapi en Khnum. Voor deze goden worden heel wat offers gebracht en feesten van aanbidding en verering gehouden.

 

Osiris voert terug op Nimrod/Tammuz, dat weten we inmiddels. Het water in de Nijl wordt als zijn bloed gezien, nou,.. dat krijgen ze dan letterlijk! Osiris wordt ook als ‘goede herder’ en koningsgod gezien en aanbeden. Hij is zogezegd de ‘Koning der koningen'. Hij is de ‘god’ van wederopstanding en vruchtbaarheid, hij zorgt voor de opkomende en wassende maan en voor de overstroming van de Nijl. Hij is heerser over het rijk van de dood en opperrechter vàn de doden…Osiris heeft nu, door het bloed in de Nijl, voor de ogen van de Egyptenaren, het volk dat hem vereert en aanbidt, klappen en de vernedering gekregen van Jahweh. 

 

Farao laat Israel dus niet gaan, en zo wordt de komst van de tweede plaag een feit. Jahweh spreekt tot Mozes, ga naar Farao en zeg het volgende. Zo zegt Jahweh, laat mijn volk gaan, zodat ze Mij kunnen dienen. Als je weigert ze te laten vertrekken, zie, dan zal ik het hele land Egypte overdekken met kikvorsen. In de rivieren zal het gaan krioelen van de kikvorsen, ze zullen opkomen en zich verspreiden in je huis, in je slaapkamer, ja, zelfs in je bed! En ook in de huizen van al je bedienden en van je hele volk. De kikvorsen zullen zitten in jullie bakovens en baktroggen. De kikvorsen zullen opkomen, op u, op uw volk en je bedienden.

Ook nu krijgt Mozes opdracht van Jahweh om tegen Aaron te zeggen dat hij zijn hand met de staf uit moet strekken over de stromen, de rivieren en de poelen, om de kikvorsen op te laten komen. Aaron strekt daarop zijn hand met de staf uit over de wateren van Egypte. Kikvorsen komen overal tevoorschijn en het krioelt overal in heel Egypte van de kikvorsen! De tovenaars van Farao weten met hun bezweringen er nog kikvorsen aan toe te voegen. Geen enkele ruimte is meer leefbaar, alles wordt overdekt met de gladde slijmerige beesten, het is afschuwelijk!

Ze kunnen deze overlast ook niet bestrijden want de kikvorsen zijn heilig! Daarmee zouden ze de Egyptische godin Heqet verzoeken, want haar verschijningsvorm is de kikvors of een wezen met een kop van een kikvors. Zij is voor de Egyptenaren een belangrijke beschermster van zwangerschap en geboorte, en samen met Osiris is ze verantwoordelijk voor de schepping en het herboren worden van alle levende wezens,.. kikvorsen kun je beter maar niet doodslaan!

Farao heeft inmiddels wel in de gaten dat hij niet bij zijn tovenaars moet zijn om deze plaag kwijt te raken. Hij roept Mozes en Aaron en zegt: bid alstublieft vurig tot Jahweh, dat Hij de kikvorsen bij mij en het volk weghaalt! Dan zal ik het volk laten vertrekken, zodat zij aan Jahweh kunnen offeren.

Mozes gaat na deze smeekbede van Farao niet zomaar direct voor hem bidden, hij zegt tegen Farao: Aan U de eer boven mij,..wanneer zal ik voor u, uw dienaren en uw volk vurig bidden, zodat u van al de kikvorsen bevrijdt wordt? En dat ze alleen nog in de rivier overblijven.

Farao antwoordt hierop: Tegen de morgen.

En Mozes zegt hierop; het zal gebeuren naar uw woord, zodat u zult weten dat er niemand gelijk is aan Jahweh, onze God.

Mozes en Aaron vertrekken bij Farao vandaan, en Mozes roept tot Jahweh, dat hij de plaag van de kikvorsen tot een einde zal brengen. En Jahweh doet naar het woord van Mozes.

Tegen de morgen sterven alle kikvorsen, uit de huizen, uit de voorzalen, uit de velden,.. overal, behalve in de rivier. Alle dode kikvorsen worden in grote hopen door het hele land bij elkaar gehaald, het hele land is één grote partij stank.

Dat is een juiste vertaling van de Egyptische goden, ze zijn niet anders dan een stelletje stinkgoden. Zowel letterlijk als in het geestelijke. Farao voelt weer de verademing, de plaag is afgewend! Waarom zal hij het volk Israel eigenlijk nog laten gaan? En weer doet hij niet naar zijn gesproken woorden. Zoals al gezegd door Jahweh

 

 

Weer spreekt Jahweh tegen Mozes; Laat Aaron de staf nemen en uitstrekken, sla in het stof van de aarde, en het hele land Egypte zal tot luizen worden.

Mozes en Aaron doen naar het woord van Jahweh, Aaron strekt zijn hand uit met zijn staf en slaat in het stof van de aarde. De mensen en het vee komen onder de luizen te zitten. Ook de tovenaars gaan aan de gang om met hun bezweringen luizen op te roepen, maar ze zijn er niet toe in staat!

Ze roepen uit naar Farao; Dit is Gods vinger! Als ze het zelf niet meer voor elkaar kunnen krijgen moeten ze wel erkennen dat ze echt met een God te maken hebben, met een bovennatuurlijke kracht die ver boven hun uitgaat. Het wordt nu menens!

Maar Farao wil niet luisteren, zijn hart wordt nog harder ten aanzien van dit hele gebeuren. Jahweh geeft hierop Mozes de opdracht om in de vroege morgen naar het water te gaan, wetende dat Farao daar die morgen gewoontegetrouw ook weer zal zijn.

Stel je tegen hem op, en zeg tot hem; Dit zegt Jahweh; laat Mijn volk gaan! Zodat ze mij kunnen dienen. Als je dit niet doet, zie, ik zal allerlei ongedierte zenden, op u, en op uw dienstknechten en op het volk. Jullie huizen zullen er helemaal vol mee zitten, de grond onder jullie voeten zal totaal bedekt worden met ongedierte! Ze zullen verderf en vernietiging brengen.

Als dit gebeurt, dan zal ik het land Gosen, waar Mijn volk woont, afzonderen en beschermen van dit ongedierte. Jij zult weten dat Ik Jahweh ben, en dat Ik in het midden van dit land zal zijn. Ik zal Mijn volk apart zetten van uw volk, tegen de morgen zal het gaan gebeuren!

En Jahweh doet naar zijn gesproken woorden, er komt een gigantische beweging op gang van ongedierte, en het verspreidt zich in het huis van Farao, in de huizen van zijn dienstknechten en verder over het hele land.

Er gaat massale vernietiging en verderf door het land.

Dan roept Farao Mozes en Aaron bij zich, en zegt; Ga heen, en offer jullie God in dit land! Mozes zegt hierop; het is niet juist als wij dit zo zouden gaan doen, de offers die wij gaan brengen voor onze God zijn voor de Egyptenaren offers die ze waarschijnlijk verafschuwen, ze zullen ons daarvoor kunnen gaan stenigen.* Laat ons drie dagen de woestijn in reizen, zodat wij daar Jahweh onze God offers kunnen brengen, op de manier die Hij ons zal vertellen.

Dan zegt Farao; Ik zal u laten vertrekken, zodat jullie Jahweh, jullie God kunnen gaan offeren in de woestijn, maar ik wil niet dat jullie te ver weg trekken! Bidt vurig voor mij.

Mozes zegt; Zie, ik ga nu weg, en ik zal Jahweh vurig bidden dat deze plaag morgen van u, uw bedienden, en van uw volk en land zal wijken. Alleen,.. denk erom dat u ons niet bedriegt! En dat als de plaag wijkt, u het volk ook dan weer niet laat gaan om Jahweh te kunnen offeren. Mozes gaat weg en bidt vurig tot Jahweh. En Jahweh doet naar het woord van Mozes, de plaag ongedierte verdwijnt uit het land, er blijft zelfs niet één over!

Farao is de plaag kwijt, en tegen zijn belofte in, weigert hij ook nu weer om het volk te laten vertrekken. In zijn hart wordt hij steeds verbetener tegen Mozes en die God van hem.

 

Een derde en vierde plaag komen zo over het land Egypte.

‘Luizen’ is een verzamelnaam voor muggen; steekmuggen, malariamuggen, kriebelmuggen,.. Vooral de kriebelmug, een klein mugje, geeft hele pijnlijke steken en ondraaglijke jeuk. Egypte is een aangenaam land voor muggen met z’n rivieren, moerassen en poelen. Alleen komen déze muggen in dit gericht van Jahweh op uit het stof van de aarde,.. vanuit het niets.

Hoewel Geb een bekende ‘aardgod’ is en verderop nog aan de orde komt, wordt hier Tatenen, later bekend als Ptah, aangepakt.

 

*Stieren en koeien zijn heilige dieren voor de Egyptenaren (bull-verering), als het volk Israël zou gaan offeren in het land Egypte zelf, is de kans inderdaad groot dat ze problemen krijgen met de bevolking en gestenigd kunnen worden. 

 

 

Ptah, zo geloofde men, creëerde de schepping “door het woord dat substantie werd”.

Ptah wordt gezien als de verpersoonlijking van het land Egypte, een ‘oer-god’. Hij staat ook bekend als de pottenbakker onder de ‘goden’, hij schiep de mensheid, naar het verhaal, op zijn pottenbakkerswiel en vormde de mens uit klei. Hij schiep de wereld “met gedachten uit zijn hart en woorden van zijn tong”… Wel. In het boek Genesis, lezen we dat Jahweh de aarde geschapen heeft met Zijn Woord en uit het ‘niets’ tot aanzijn heeft geroepen; de hemelen en de aarde, en al wat daarop is.

Je leest dat Hij de mens schept (boetseert) vanuit de aarde, op de zesde dag. De eerste mens Adam, krijgt Jahweh’s eigen levensadem, Zijn levensgeest,  in de neus geblazen. Dat maakt een mensenkind tot een bijzondere schepping naar het beeld van God, en dat is wat Satan haat en zoekt te vernietigen. 

 

Jahweh had en heeft nog steeds een prachtige bestemming voor de mens.

In Jesaja 64 staat; Maar nu, Jahweh! U bent onze Vader ; wij zijn leem, en U bent onze pottenbakker, en wij allen zijn het werk van Uw handen.

De echte goddelijke eigenschappen worden structureel van Jahweh ‘ontvreemd’, satan kent ze aan zichzelf toe, in dit geval onder de naam van Ptah. En zo gaat hij verder. 

 

In de vierde plaag krijgt het volk Egypte zeer waarschijnlijk te kampen met een invasie van soorten kakkerlakken! Een kever-soort.

Hè, kakkerlakken?.. In andere vertalingen staat steekvliegen. Maar steekvliegen brengen niet direct verderf en vernieling aan.

In de tekst komt dat wel naar voren met het woord verdorven (Ex 8:24) wat ook vernieling of vernietiging betekent in de Hebreeuwse grondtekst. Kakkerlakken kunnen niet echt vliegen, maar kunnen wel stukken fladderen en zweven om vervolgens ergens OP neer te vallen. Zo lees je het ook in de tekst, het zal op farao, en op de mensen doen komen. Kakkerlakken zijn kannibalen, en ze vreten alles wat los en vast zit, ze geven ook pijnlijke beten.

Kevers worden gezien als heilige schepsels in het land Egypte. De god genaamd Ra, opvolger van Ptah, is in zijn verschijningsvorm een (mest)kever, dit is de bekende en populaire Egyptische scarabee.

Hij verschijnt ook als 'menselijk wezen' met een valkenkop met daarop de zonnegod-schijf met cobra.

Ra is een populaire en hoogstaande ‘god’. Hij is voor de Egyptenaren de god van de opkomende zon en drager van de zon gedurende de dag langs zijn baan.

Ra wordt vaak logischerwijs bij het negende gericht geplaatst, de totale duisternis, wat ook zeker van toepassing is, maar hoofdzakelijk en om te beginnen hier. Waarom wordt later nog wel duidelijk als het goed is.

Ra wordt gezien als regeerder van het land van de levenden en de doden. Een beschermer tegen onheil. Het is wel een vreemde vergelijking, de zonnegod met de mestkever. Maar de achterliggende gedachte is dat deze kever zijn zaad in zijn mestbol (de zon is ook een bol) voortduwt, zoals Ra de zon in zijn baan van Oost naar West zou rollen, elke dag weer.

Uit de bol van de kever komt na verloop van tijd als 'uit het niets’ nieuw leven voort. De Egyptenaren geloofden dat Ra ook uit zichzelf is ontstaan, en de zon brengt leven voort.

Zeer opmerkelijk: Het Hebreeuws kent ook het woord RA, en daarin zien we eigenlijk de daadwerkelijke betekenis en het karakter van RA; kwaad, slecht, onrecht, tegenspoed, ellende, onheil, pijn veroorzakend, kwaadwillend, ongeluk, bedroefd,..om maar een aantal betekenissen te noemen.

 

In de derde plaag wordt onder andere de god Ptah ‘overhoop gestoken’ door de muggenplaag, en in de vierde Ra ‘te kakken’ gezet met allerlei ongedierte, de kakkerlakken. Er is maar één echte God die uit het ‘niets’ tot aanzijn roept, en dat is Jahweh El Elohim.  En waar Hij vandaan komt,..dat weet niemand, maar Hij maakt Zichzelf wel bekend. 

 

 Aangezien Farao ervoor kiest het volk weer niet te laten gaan, stuurt Jahweh Mozes naar hem toe om de volgende boodschap af te geven; Zo zegt Jahweh, de God van de Hebreeën; Laat mijn volk vertrekken zodat ze mij kunnen dienen. Als je ze weigert te laten gaan, of ze nog op gewelddadige wijze tegenhoudt, dan zal Ik mijn hand aan het vee slaan, het vee dat in het veld is, de paarden, de ezels, de kamelen, runderen en over al het kleinvee. Het zal een zware pest zijn. 

En Jahweh zal een uitzondering maken tussen het vee van de Israëlieten en tussen het vee van de Egyptenaren. Er zal geen enkel dier sterven dat van de kinderen van Israël is. 

En voor de duidelijkheid geeft Jahweh precies aan wanneer het zal gaan gebeuren,.. de volgende dag... En zo sterft die volgende dag, naar het woord van Jahweh, al het vee van de Egyptenaren dat in het veld is. Maar van de kinderen van Israël niet één! Farao stuurt mensen naar Gosen om te gaan kijken en controleren of het ook echt zo is. En het is inderdaad zo. Maar Farao blijft toch weigeren om het volk te laten vertrekken. 

 

Dan zegt Jahweh tegen Mozes en Aaron; Neem in jullie vuisten mee, as uit de oven, en jij Mozes, strooi de as naar de hemel voor de ogen van Farao. De as zal tot kleinstof worden over het hele land Egypte. Het zal ervoor zorgen dat al de mensen èn het vee dat nog leeft onder de zweren komen te zitten, en samen met de zweren zullen ook blaren uitbreken. In het hele land zal er niemand aan ontkomen. 

En met de vuisten vol as gaan Mozes en Aaron naar Farao, en Mozes strooit het as, als ze voor Farao staan, voor zijn aangezicht omhoog. 

Met deze handeling breken de zweren, samen met de blaren uit aan de mensen, en aan het vee dat nog over is en binnenstond ten tijde van de veepest. 

Ook de tovenaars worden getroffen met de zweren, ze kunnen niet meer overeind blijven! Maar Farao zijn hart blijft zich verzetten en hij gehoorzaamt niet aan de opdracht om het volk te laten gaan.

 

 

De vijfde en zesde plaag zijn vooral gericht tegen de goden Hathor en Isis, ze zijn samen eigenlijk ook  'één pot nat '.

Zij zouden de mens en vee moeten beschermen, maar ze zijn niet in staat het vee te beschermen tegen ziekte, laat staan tegen de dood. Ook kunnen ze niet genezen.

Voor Jahweh is het echter geen enkel probleem het land Gosen vrij te houden van de veepest en de etterende zweren.

 

De godin Hathor heeft de dierlijke verschijning van een witte koe. ( Haar mannelijke equivalent is Apis, de stier, de bull = Baäl ).

Hathor wordt ook vaak afgebeeld door een vrouw met horens op haar hoofd, daartussenin draagt ze de zonneschijf. Om de zonneschijf ligt de slang, de cobra, die voor haar hoofd uitsteekt. Hathor is een dochter van Ra, en als ‘oer-godin’ is haar eerste verschijning ook die van een slang (= dus satan).

De eigenschappen van Hathor worden later voor een groot deel getransformeerd in de godin Isis, zus en echtgenoot van Osiris. Isis-Hathor. 

 

 

 

Isis is een dochter van Geb en Nut, Geb als ‘god’ van de aarde, Nut van de hemel. Isis wordt evenals Hathor afgebeeld als vrouw met de horens van een koe, met daartussenin de zonneschijf, maar ook wordt ze afgebeeld met een troon op haar hoofd.

De vleugels die in veel afbeeldingen te zien zijn, zijn karakteristiek voor de zonnegod, waar zij één mee is. Haar eerste verschijningsvorm is eveneens die van een slang, zoals de Cobra.

 

Zij wordt gezien als de meest machtige godin in het Egyptische leven, en moeder van de goden, moeder van elke koning, ‘godin van de troon’.

Ze heeft onvoorstelbare magische krachten en is een groot genezeres.

Als haar broer en echtgenoot Osiris wordt vermoord en in stukken gehakt‭, ‬brengt Isis alle lichaamsdelen bij elkaar‭, ‬het geslachtsdeel mist‭. ‬Zij vormt vervolgens uit klei een grote fallus ‭(‬de obelisk‭) ‬en met magische krachten raakt zij bevrucht‭, ‬en Osiris komt weer tot leven in de vorm van Horus‭. ‬

Horus wordt nu als zoon van Isis het beeld van de wederopstanding‭. ‬Osiris heeft moeten lijden en sterven opdat de mensheid kan leven…‭ ‬

Brood en wijn spelen ook een grote rol in de Isis-cultus. Het proces van de graankorrel dat moet sterven, het uitgroeien naar koren, het dorsen en malen en bakken tot een brood. Het staat eveneens symbool voor het sterven en de wederopstanding ten leven.

 

Volgens de verhalen brengt Isis ook de eerste wet van rechtvaardigheid. Binnen deze rechtvaardigheid wordt gesteld dat; de koningin grotere macht en eer toekomt dan de koning, en dat ook in het privé-leven de vrouw autoriteit heeft over de man. Mannen moesten er in het huwelijkscontract mee instemmen hun vrouw in alles gehoorzaam te zijn… 

Hierin zien we ook weer de omgekeerde wereld. Jahweh is onze rechtvaardigheid. Niet de hemelkoningin heeft de macht, maar Jezus Christus, als Hoofd van Zijn Gemeente, en uiteindelijk zullen hemel en aarde aan Zijn Koninklijke voeten onderworpen worden.

 

 

 Dan zegt Jahweh tegen Mozes; Maak je morgen vroeg klaar, ga naar Farao, en breng hem de volgende boodschap; zo zegt Jahweh, de God der Hebreeën: Laat mijn volk vertrekken, zodat zij mij kunnen dienen. Deze keer zal ik met al mijn plagen u in het hart van alles treffen, eveneens uw bedienden en uw volk, u zult weten dat er op heel de wereld niemand is die gelijk is aan Mij. Ik heb Mijn hand over u uitgestrekt, en u en uw volk met de pest geslagen, Ik heb je daaraan niet laten sterven, omdat Ik je in het leven heb geroepen zodat ik Mijn kracht kan laten zien, en Mijn naam groot gemaakt zal worden over de hele wereld. U verheft zichzelf nog steeds tegen mijn volk, dat u het niet wilt laten vertrekken?! Morgen zal ik rond deze tijd een zeer zware hagel laten regenen in Egypte, zoals er vanaf de grondlegging van deze wereld nog niet voorgekomen is, tot nu toe. Nu, stuur je mensen en verzamel het vee en alles wat er op het veld is.

Al de mensen en dieren die je vindt, zorg dat ze in huis zijn, want als de hagel op hen neervalt zullen ze sterven. Al de bedienden van Farao die ontzag hebben voor het woord van Jahweh zorgen ervoor dat hun mensen en het vee worden binnengehaald. Er zijn er ook die in hun hart de woorden van Jahweh niet serieus nemen en hun mensen en vee buiten, en op het veld laten.

Als het zover is zegt Jahweh tegen Mozes; strek uw hand uit naar de hemel, en er zal hagel zijn in heel Egypte. Dan strekt Mozes zijn staf uit naar de hemel, en op dat moment laat Jahweh de donder en hagel losbarsten, en temidden van de hagel is vuur. Nog nooit heeft zo’n zwaar weer Egypte geteisterd, alles wordt kapot geslagen. Mens en dier wat nog buiten in de velden rondloopt vinden de dood, de gewassen op het veld gaan eraan, de bomen breken af. Alleen in het land Gosen, waar de kinderen van Israel zijn, daar komt de hagel niet. Farao laat hierop Mozes en Aaron halen, en zegt tot hen; ik heb deze keer verkeerd gehandeld, Jahweh is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddelozen! Bidt vurig tot Jahweh want het is genoeg! Als er geen donder en hagel meer is, dan zal ik jullie laten gaan, je zult niet langer hoeven blijven. Dan zegt Mozes tot hem; als ik de stad ben uitgegaan, zal ik mijn handen uitstrekken voor Jahweh. De donder zal ophouden en er zal geen hagel meer vallen. Zo zul je weten dat de aarde van Jahweh is! Maar ik weet ook dat jij en je dienaren nog steeds niet werkelijk het ontzag hebben voor Jahweh! Het vlas en de gerst wordt helemaal kapot geslagen; want de gerst stond in de aar, en het vlas in de halm. Maar de tarwe en de spelt worden niet kapot geslagen, want deze gewassen komen later op uit de aarde. En zo gaat Mozes bij Farao weg en de stad uit. Dan strekt hij zijn handen uit naar Jahweh; de donder en de hagel houden op, en de regen wordt ook niet meer uitgegoten op de aarde. Als Farao ziet dat de donder, de hagel en de regen zijn opgehouden, komt er nog weer meer verzet en verharding in zijn hart naar boven, samen met zijn dienstknechten. Het volk Israel laten ze ook nu weer niet vertrekken… Farao krijgt aangezegd dat er nu, naast alle dieren en vee, ook de mensenlevens op het spel komen te staan. 

 

 De mogelijkheid wordt nog gegeven het vege lijf te redden,.. als ze maar willen luisteren! Het moeten wel grote, zware hagelstenen zijn geweest! Hoe groot en zwaar staat er niet bij. In het boek Openbaring komen we ook de hagelstenen in de gerichten tegen die nog gaan komen, en wordt er gesproken over stenen van een ‘talent pond’. Eén talent is zo’n 40 kilo! Dat komt erop neer dat hagelstenen zullen vallen in de toekomst van zo’n 20 kilo per steen! De godin Nut (vrouw en zus van Geb) is hier de ‘godheid’ die vooral van haar voetstuk wordt gestoten. Nut wordt gezien als de ‘hemelgodin’ die de goden gebaard heeft, de hemellichamen; zon, maan en sterren. Nut buigt zich over de aarde met haar lichaam, en haar lichaam is bedekt met de sterrenhemel. 

Nut wordt ook wel ‘de hemelkoe’ genoemd, en zij heeft een boek; het boek van de hemelkoe.

In dat boek staat opgetekend hoe hemel en aarde en ook de mensheid gecreëerd werd door de goden, en hoe de mensheid ten val komt door in opstand te komen tegen Ra (Horus), ‘schepper-god’, schepper van de mens. De mens had geen respect meer voor hem, ze vonden zijn verschijning in zilver, goud en Lapis-lazuli niet meer indrukwekkend. Zijn botten waren, volgens het verhaal, van zilver, zijn lichaam van goud, zijn haar Lapis-Lazuli.

En dat is niet zo’n gek verhaal! Gezien we in Ezechiël 28 lezen dat Ra, alias satan, voor zijn opstand en uitzetting uit de Hemel, bekleed was met alle kostbare edelgesteente.*

 

De woede van Ra maakt dat hij deze mensheid wil vernietigen via Hathor. Zijn ‘alziend oog’ gaat in de verschijningsvorm van Hathor over de hele aarde om de boosdoeners, lasteraars en goddelozen te straffen. Als er onder de mensen berouw komt, besluit Ra na hartgrondig pleidooi van de andere goden, de mensheid nog een kans te geven om ervan te leren.

Ra stopt Hathor in haar woeste vaart van bloedvergieten en vernietiging van de mensheid. Via verdoving met ‘bloedbier’ en een diepe slaap veranderd zij naar de ‘godin van de liefde', vriendin van de mensheid. De mensheid wordt vrij-gezet om onder haar toezien te genieten van alle lusten. De mensen worden na het leven door haar persoonlijk naar de hemel begeleidt.

Zelf vertrekt Ra ook van de aarde naar de hemel om daar een plaats te gaan bereiden voor zijn volgelingen,..diegenen die spijt hebben van hun zonde en opstandigheid.

Hij maakt daar voor hen een bijzondere plaats van vrede, het Rietveld, het meest heerlijke deel.

(Het is een interessante gedachte dat het hele Egyptische leger zoals we weten, later ten onder gaat in de Rode zee / Schelfzee, die ook wel de ‘Rietzee’ wordt genoemd).

De goddelozen en lasteraars worden tot Ra’s grote vreugde aan hem geofferd, in de aan hem geweide tempels.

 

Volgens latere leringen wordt Nut vervangen door een “hemelse vader”… Satan heeft het maar druk met het verdelen en uitspelen van al de rollen van ‘godheden’. Hij laat het niet na zichzelf veelvuldig op te splitsen in ‘the good and the bad’. Ugley is hij ook al sinds hij op de aarde is neergeworpen. Al kan hij op aarde zich nog voordoen als een 'engel van het licht' , zijn hemelse lichaam, schoonheid en wijsheid zijn hem afgenomen; zilver, goud en Lapis Lazuli volgens het boek van de hemelkoe mocht hij nog willen!

Tot as zal hij worden gemaakt, vervuld met een verterend en vernietigend vuur van haat.

 

* Ezechiel. 28 . Zo zegt de Heere Jahweh: Gij verzegelaar, beschermer van grote kostbaarheden!

Vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid! Je was in Eden, Gods hof; alle kostelijke gesteente was uw bekleding; sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en het werk van de smaragden en goud; het werk van uw trommels en pijpen was bij u; de dag dat u geschapen werd, zijn ze tot stand gebracht.

Je was een gezalfde en beschermende Cherub; Ik had je een plaats gegeven op de heilige berg Gods, waar je wandelde temidden van de vurige stenen. Je was volkomen in je wegen, van de dag af dat je geschapen werd, totdat er ongerechtigheid in je naar boven kwam. Door je eigengereide gang van zaken heb je jezelf vol laten lopen met geweld, je hebt gezondigd; daarom zal ik je van Mijn heilige berg verwijderen , en ik zal je verwijderen uit het midden van de vurige stenen. Je hart verheft zich over je eigen schoonheid; je hebt je wijsheid verdorven en tot vernietiging gebracht, vanwege je glans. Ik heb je op de aarde neergeworpen, Ik heb je voor het aangezicht van de koningen gesteld zodat ze je zien. Vanwege je grote ongerechtigheid, je onrecht in handelen, heb je je heiligdommen ontheiligd; daarom heb ik een vuur in je binnenste laten komen, een vuur dat je verteerd heeft, en ik heb je gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen die u zien. 

 

Jahweh zegt tegen Mozes; ga naar Farao, want Ik heb zijn hart en het hart van zijn dienaren nog weer meer tegen Mij opgezet, opdat Ik mijn tekenen in hun midden laat zien; en jullie deze vertellen aan jullie kinderen, en ook weer jullie kleinkinderen zullen horen wat Ik in Egypte uitgericht heb. 

Zo ook de tekenen die Ik onder hen gesteld heb, zodat jullie zullen weten dat Ik Jahweh ben. 

Mozes en Aaron gaan naar Farao, en zeggen tegen hem; Zo zegt Jahweh de God der Hebreeën: Hoe lang blijf je weigeren je voor Mijn aangezicht neer te buigen? Laat mijn volk vertrekken zodat ze Mij kunnen dienen. Als je weigert Mijn volk te laten vertrekken, zie, zo zal ik morgen sprinkhanen in het land Egypte brengen. Ze zullen je hele land zodanig bedekken, dat er geen grond meer te zien is, en ze zullen alles wat ook nog maar ontkomen en overgebleven is van de hagel afeten. Ze zullen ook al het geboomte afeten dat op de velden aan het opkomen is. 

En de sprinkhanen zullen uw huizen binnenstromen en vullen, en die van uw dienaren en de huizen van alle Egyptenaren. Geen vader, of vader van jullie vaderen heeft ooit zoiets meegemaakt tot op de dag dat dit zal gebeuren. Mozes draait zich vervolgens om en vertrekt van Farao. 

De dienaren van Farao beginnen nu op Farao in te spreken; hoe lang zal deze Mozes ons tot een strik zijn, laat de mannen toch vertrekken, laat ze Jahweh hun God dienen! Weet u nu nog niet dat Egypte verloren is?!  En zo worden Mozes en Aaron weer opgehaald en bij Farao gebracht, hij zegt tegen hen; 

Ga heen, dien Jahweh, uw God! En wie zijn het die jullie gaan meenemen? En Mozes antwoordt hierop, wij gaan met onze kleine kinderen, onze volwassenen en ouderen; met onze zonen en dochters, met onze schapen en runderen zullen wij gaan, want wij hebben een feest van Jahweh. Farao zegt hierop tegen Mozes; Jahweh mag dan met u zijn, maar ik ben niet van plan om u te laten vertrekken met uw kinderen! Denk erom, dan wacht jullie zeer zeker onheil! U mag gaan met uw mannen om Jahweh te dienen, dat is wat je gevraagd hebt. En nu wegwezen! En zo jagen ze hen weg van Farao. 

Daarna spreekt Jahweh tot Mozes: Strek uw hand uit over het land Egypte, om de sprinkhanen op te laten komen over het land, en al het groen dat er nog over is op te eten, alles wat de hagel nog heeft overgelaten. 

Dan strekt Mozes zijn staf uit over Egypte en daarop brengt Jahweh een oostenwind in het land, de hele dag en de hele nacht; en in de morgen gebeurthet dat de oostenwind de sprinkhanen meevoert. 

 

De sprinkhanen komen op over het hele land, als een invasie komen ze via en over de grenzen van Egypte, met een massale hoeveelheid die er nog nooit eerder is geweest en ook hierna niet meer zal komen. Ze bedekken het hele land zodanig, dat het overal compleet duisternis is; en ze eten al het groene gewas van het land op, al de vruchten aan de bomen, die de hagel nog heeft overgelaten, er is nergens geen groen meer te bekennen in heel Egypte.

Dan haast Farao zich om Mozes en Aaron te roepen, en zegt; ik heb gezondigd tegen Jahweh, uw God, en tegen jullie. Vergeef mij nu toch mijn zonde nog één keer, bidt vurig tot Jahweh, uw God, dat hij nog een uitzondering maakt en deze dood van mij wegneemt!

Mozes vertrekt bij Farao vandaan, en hij bidt vurig tot Jahweh. Dan keert de wind,.. er komt nu een sterke westenwind opzetten. De sprinkhanen worden in deze wind opgeheven en ze worden massaal in de Schelfzee geworpen en vernietigd. Er blijft niet één sprinkhaan over binnen de grenzen van Egypte. Maar Jahweh verhard het hart van Farao, hij laat het volk Israël ook na deze ramp niet vertrekken. 

 

 

 

Egypte is compleet kaalgevreten, er is geen groen meer te bespeuren, wat een desolaat land moet dit zijn! De god Geb, eerder al genoemd als de ‘broer en man van Nut’, wordt in dit achtste gericht vooral omver gehaald. Hij wordt ook gezien als de ‘god en verpersoonlijking van de aarde', de ‘heer der goden’.

Geb is een ‘vruchtbaarheidsgod’ en wordt, evenals Osiris en Ptah, vaak ook groen afgebeeld.

Ze zijn ‘Evergreen’.  Geb draagt een rode kroon of gans op zijn hoofd, de gans is de ganzerik, en staat voor “zoon”. Het aardse beeld van Geb.

Er is nu geen enkele vrucht of ook nog maar enig groen meer te bekennen! Naast alle natuur, wordt ook de oogst vernietigd. Ook de god Seth, gezien als een kwade godheid, krijgt hier z’n nederlaag. Seth wordt gezien als de ‘god van storm en weer’, hij bestuurt de winden, is heerser van de woestijn en vreemde landen. Vanuit deze woestijn en vreemde landen voert Jahweh, met de oostenwind, de sprinkhanen-plaag precies bij, en vanaf de grenzen Egypte binnen. Alleen Jahweh bestuurt en heeft als het erop aankomt de controle over Zijn schepping. Met de totale kaal-vreterij van de sprinkhanen zijn er voorlopig in het hele land geen grondstoffen meer om nog maar iets te kunnen produceren.

Alle goden zijn letterlijk en figuurlijk met stomheid geslagen. Ze ‘staan erbij en kijken ernaar’.

 

Egypte wordt steeds meer een ravage en geruïneerd, op het land Gosen na.

Maar nog steeds weigert Farao het volk Israel te laten gaan. Hoewel we lezen dat Jahweh Farao’s hart blijft verharden, is én blijft het zijn eigen keuze om niet te luisteren, en laat daarmee zichzelf, zijn volk en zijn land hierdoor de gevolgen ondergaan. Jahweh kent het hart van de mens en wat daarin is, al ver van tevoren. 

Farao is niet in de positie om voorwaarden te stellen aan Jahweh. Mozes krijgt van Jahweh opdracht om weer zijn hand uit te strekken naar de hemel met de mededeling dat er dikke, tastbare duisternis zal komen over Egypte.

Als Mozes vervolgens zijn hand uitstrekt naar de hemel, komt er dikke duisternis in het hele land, drie dagen! Niemand kan elkaar meer zien, er staat niemand op van zijn plaats in die drie dagen. Maar bij al de kinderen van Israel is er wonderbaarlijk licht in hun woningen.

Dan laat Farao Mozes halen, en zegt; Ga heen, dien Jahweh! Maar je schapen en je runderen zullen hier moeten blijven. Neem ook jullie kinderen met je mee. Maar Mozes zegt; U zult ook de slachtoffers en de brandoffers aan ons meegeven die wij Jahweh willen brengen. En ons vee zal ook met ons meegaan, er zal niet één hoef achter blijven; want ook daarvan zullen wij nemen om Jahweh, onze God te dienen. Want wij weten nog niet waarmee wij Hem zullen dienen totdat wij daar komen.

Farao gaat hier duidelijk niet mee akkoord, hij blijft ook nu nog weigeren het volk te laten vertrekken. Woedend stuurt hij Mozes weg en roept; Ga weg van mij! En zorg dat je niet meer binnen mijn gezichtsveld komt, want dan zul je sterven! En Mozes zegt; Dat heb je zeer juist gesproken, ik zal je niet meer zien!

Drie dagen lang is er vervolgens geen enkele lichtbron aanwezig en blijkbaar ook niet mogelijk! De totale en zelfs letterlijk tastbare duisternis, schakelt alles uit om ook maar iets te kunnen verrichten.

Het leven zelf wordt hiermee in alle opzichten dus letterlijk onmogelijk gemaakt. De mensen zitten drie dagen lang aan hun plaats geklonken.

 

 

Ademhalen zal vast ook niet meevallen als de duisternis zo angstaanjagend, zelfs tastbaar is. Jahweh laat hier ‘zien’ èn voelen wat de gevolgen zijn als Hij Zijn Licht van de aarde wegneemt,.. alle leven zal onmogelijk worden en tot een einde gaan komen.

De Egyptenaren worden hier letterlijk overgeleverd aan al hun ‘goden’ die ze dienen.

De negende plaag is heel de RA-taplan bij elkaar.* En al die goden doen duidelijk zichtbaar niets om hun aanbidders uit de ellende te helpen.

In wezen krijgen de mensen hier slechts een voorproefje wat het inhoudt om overgeleverd te zijn aan totale duisternis,.. aan RA in de ware Hebreeuwse betekenis van het woord! Kwaad, slecht, onrecht, tegenspoed, ellende, onheil, pijn veroorzakend, kwaadwillend, ongeluk. Een God-verlatenheid.

Niet omdat Jahweh dit wil, maar omdat ze er zelf, tegen alle waarschuwingen en bewijzen in, voor (blijven) kiezen. Wie niet horen wil moet voelen, is hier wel heel sterk en letterlijk van toepassing.

 

Dat deze duisternis drie dagen duurt is niet toevallig. Het getal drie heeft te maken met verlossing, want dat is het doel van Jahweh. Mozes komt ook uit de derde stam van Israël en wordt door Jahweh gezonden om het volk te verlossen uit de slavernij. Mozes (koning) is samen met Aaron (priester) een ‘type’ van Yeshua. Yeshua is drie dagen in de dood, die Hij overwint met Zijn opstanding.

Yeshua haalt ons daarmee ook uit de eeuwige duisternis van de slavernij. Een slavernij naar geest, ziel en lichaam. Hij is onze Koning en Hogepriester.

Jahweh heeft aan Mozes verteld dat Hij nog één plaag over Farao en over Egypte gaat brengen, dan zal de Farao het volk in z’n geheel laten vertrekken, ze zullen met haast uitgedreven gaan worden.

 

 

* De negende letter van het Hebreeuwse alefbeth heeft de betekenis SLANG. Dan praten we in deze dus over de satan met z'n zonnegod-imago' en met z'n leugenachtige demonische bende en opsplitsingen, verderf, ongeluk en dood. Ik denk niet dat dit toevallig is. 

 

 

 

Spreek nu tegen het volk, zegt Jahweh, dat iedere man en vrouw van zijn naaste zilveren voorwerpen en gouden voorwerpen vraagt. Als het volk dat doet zorgt Jahweh ervoor dat ze door de Egyptenaren overladen worden met zilver en goud.

De dienaren van Farao en het volk hebben een zeer groot ontzag voor Mozes. Ook zegt Mozes tegen Farao: zo heeft Jahweh gezegd, rond middernacht zal Ik uitgaan door het midden van Egypte.

Alle eerstgeborenen in Egypte zullen sterven, van Farao’s eerstgeborene af, die op de troon zou komen te zitten, tot de eerstgeborene van de slavin die het graan maalt met de molensteen, tot elke eerstgeborene van het vee. Er zal een groot gejammer, gehuil en geroep zijn in heel Egypte zoals er nog nooit geweest is, en ook niet meer zal komen. Maar bij de kinderen van Israël zal niet een hond zijn tong verroeren, ook bij de mensen of de dieren niet, er zal geen gejammer en gehuil zijn. Zo zullen jullie weten dat Jahweh tussen de Egyptenaren en tussen de Israëlieten een afzondering maakt. Dan zullen al uw dienaren op mij afkomen en zich voor mij neerwerpen, en zeggen: Trek uit, gij en al het volk dat bij u hoort! En daarna zal ik gaan… En dan vertrekt Mozes, de Farao achterlatend in grote woede.

Jahweh had aan Mozes duidelijk gemaakt dat Farao ook nu niet zou luisteren, zodat Zijn wonderen in Egypte veelvuldig zullen zijn.

Mozes en Aaron hebben al die wonderen voor het aangezicht van de Farao gedaan, maar Jahweh verhard het hart van Farao, hij blijft zich verzetten,.. hij laat de Israëlieten niet vertrekken!

 

Jahweh spreekt het volgende tot Mozes en Aaron, terwijl ze nog in Egypte zijn, Hij zegt; Deze maand dat jullie gaan uittrekken, zal voortaan de eerste maand voor jullie zijn van het jaar. Vertel tegen iedereen, de hele vergadering van Israël het volgende: Op de tiende van deze maand neemt elke familie een lam in huis, één lam per familie. Als de familie te klein is voor één lam, dan delen ze het samen met buren. Reken hoeveel mensen er van één lam kunnen eten, en dat een ieder kan eten naar wat hij kan eten. Zoek een lam uit die zonder gebreken is, een mannetje van een jaar oud. Uit de schapen of geitenbokjes moet het lam uitgezocht worden. Het lam zullen jullie vier dagen onder jullie hoede nemen, en die vierde dag, de veertiende, moet het lam, waar iedereen bij is, geslacht worden tussen de twee avonden in. Van het bloed zullen ze dan nemen, dit bloed moet aan de beide zijden van de deur, aan de posten gestreken worden, ook aan de bovendorpel. Doe dit aan elk huis waarin gegeten zal worden. Het vlees moet gebraden, en in diezelfde nacht ook gegeten worden. Samen met ongezuurde broden en bittere saus. Denk erom, geen rauw vlees ervan eten! Ook niet in water koken; maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd tot en met zijn hoeven en inclusief ingewanden. Zorg ervoor dat er niets overblijft van het lam, maar mocht er tegen de morgen toch nog iets over zijn, dan moeten jullie dit met vuur verbranden. Als jullie dit eten, zorg er dan ook voor dat jullie klaar zijn om te kunnen vertrekken, de gordel om je heupen, schoenen aan, de staf in handen. Jullie zullen met haast eten; het is het Pascha van Jahweh. Want ik zal deze nacht door Egypte gaan, en alle eerstgeborenen van Egypte zullen sterven, van de mensen tot de dieren toe; en Ik zal oordeel brengen over alle goden van de Egyptenaren, Ik Jahweh! Het bloed aan de huizen waar jullie in verkeren, is het teken voor jullie bescherming. Als Ik het bloed zie, zal Ik aan jullie huizen voorbij gaan, er zal zo geen enkele plaag jullie treffen of vernietiging brengen wanneer ik Egypte zal slaan.

Jahweh vertelt Mozes vervolgens dat deze dag, en alles wat er staat te gebeuren, in de toekomst een dag zal zijn om te blijven gedenken, en dat het voor hen tot een feest zal zijn. Voor alle geslachten die nog komen gaan, voor altijd. Zeven dagen zal het volk dan ongezuurde broden eten. De eerste dag moet al het zuurdeeg verwijderd worden uit de huizen (zuurdesem is het geestelijke beeld van de zonde), wie daarvan in die dagen nog heeft en van het gedesemde eet zal afgesneden en verwijderd worden uit het volk en als een vreemdeling zijn. 

 

 

Op de eerste dag zal er ook een heilige bijeenkomst zijn, zo ook op de zevende dag; op die dagen zal er niet gewerkt worden. Wel mag er eten klaargemaakt worden voor wat een ieder nodig heeft.

Als Jahweh de instructies allemaal heeft gegeven, roept Mozes al de oudsten van Israël bij zich en zegt tegen hen: Selecteer de lammeren voor jullie huisgezinnen, en slacht het offerlam, het Pascha. Neem dan een bundel hysop, en doop deze in het bloed van het lam dat in een drinkschaal moet zitten, strijk dit aan de bovendorpel en de twee zijposten van de deur. Als jullie dit bloed vanuit de drinkbeker aanbrengen, zorg er dan voor dat er niemand anders de deur uit zal gaan tot aan de morgen! Want Jahweh zal langskomen deze nacht om de Egyptenaren te slaan, maar wanneer Hij het bloed ziet aan de bovendorpel en aan de twee zijposten, dan zal Jahweh de deur voorbijgaan, de verderver zal dan niet toegelaten worden in uw huizen om toe te slaan. Zorg dat jullie dit gebeuren tot een inzetting maken, voor jezelf en voor jullie kinderen, voor altijd.

Als jullie straks in het land komen die Jahweh ons geven zal, zoals Hij zegt, dan zullen jullie deze dienst onderhouden. Als jullie kinderen in de toekomst gaan vragen: Wat hebben jullie voor dienst? Dan zul je hen vertellen over het paasoffer van Jahweh, die de huizen van de kinderen van Israël voorbij is gegaan in Egypte. Dat Hij de Egyptenaren sloeg en aan onze huizen bevrijding gaf!

Allen die Mozes aanhoren buigen zich neer en verootmoedigen zich, om vervolgens te gaan doen wat Jahweh via Mozes en Aaron gezegd heeft dat ze moeten gaan doen. Rond middernacht gebeurt het dat Jahweh al de eerstgeborenen van Egypte overgeeft aan de verderver, van de eerstgeborenen van Farao af, die op zijn troon zou komen te zitten, tot op de eerstgeborene van een gevangene die in de gevangenis zit, en al de eerstgeborenen van de dieren.

En Farao staat die nacht op, hij en ook al zijn bedienden, en al de Egyptenaren, en er breekt in het hele land een groot gejammer uit, want er is niet één huis waar niet een dode is.

Dan roept hij Mozes en Aaron diezelfde nacht, en zegt: Maak jullie klaar en trek uit het midden van mijn volk, jullie en de kinderen van Israël; en ga heen en dien Jahweh, zoals jullie gesproken hebben. Neem ook jullie schapen en runderen mee zoals jullie gesproken hebben, ga heen, en zegen mij ook.

Het Egyptische volk voert nu grote druk uit op de Israëlieten om ze zo snel mogelijk het land uit te krijgen; want, zeggen ze, wij zijn allemaal dood!

Het volk heeft zich in die nacht al in gereedheid gebracht en neemt hun ongedesemde deeg, bindt deze deegklompen in hun kleren en op hun schouders. Ze hebben gedaan naar de woorden van Mozes, en aan de Egyptenaren zilveren en gouden goederen gevraagd, eveneens kleren. En de Egyptenaren geven alles aan ze mee wat er gevraagd wordt, zo blijven ze behoorlijk geplunderd achter als het volk Israël wegtrekt uit Rameses richting Sukkoth.

Alleen al aan mannen trekken er zeshonderdduizend te voet weg, de kinderen nog niet meegeteld. Ook gaan er veel andere mensen met hen mee die niet direct bij Israël horen. Zo ook vele schapen en runderen en zeer veel vee. Ze bakken van het deeg dat uit Egypte meegenomen is ongezuurde koeken, want het deeg was niet gezuurd omdat ze uit Egypte weggestuurd werden en niet konden wachten, ook hebben ze weinig andere voorraad kunnen klaarmaken.

De tijd die het volk Israel in Egypte gewoond heeft, is vierhonderd en dertig jaar. En het gebeurt, aan het eind van deze vierhonderd en dertig jaar, op diezelfde dag, dat ook al de legerscharen (engelen?) van Jahweh uit Egypte vertrekken.

Na deze nacht zal men Jahweh gedenken, deze nacht, dat Jahweh hen uit Egypte heeft laten trekken. Voor alle kinderen van Israel en al de komende generaties door. En iedereen in Israel deed naar de geboden die Jahweh tot Mozes en Aaron sprak. Tijdens die dagen wordt het volk van Israel uit Egypte geleid, iedereen binnen zijn eigen legereenheid. 

 

 

Dan spreekt Jahweh tot Mozes, en zegt: Heilig voor mij alle eerstgeborenen, alles wat als eerste de baarmoeder opent onder de kinderen van Israel, van mensen en dieren, dat is voor Mij.

Verder zegt Mozes tegen het volk: Gedenk op deze dag dat jullie uit het slavenhuis van Egypte vertrokken zijn, want Jahweh heeft jullie met sterke hand hieruit weggevoerd; daarom mag gedesemd deeg ook niet gegeten worden. Vandaag vertrekken jullie uit Egypte, in de maand Abib*

En het zal gebeuren, als Jahweh jullie in het land brengt van de Kanaänieten, de Hettieten, en de Amorieten, de Hevieten en de Jebusieten, het land dat Hij aan jullie vaderen belooft heeft te geven, een land dat vloeit van melk en honing: Dan zult u deze dienst houden in deze maand.

Zeven dagen zullen er ongezuurde broden gegeten worden, en op de zevende dag zal er een feest gehouden worden voor Jahweh. Zeven dagen zullen er ongezuurde broden gegeten worden, er mag niets in uw midden zijn wat gedesemd is, ja, er zal geen zuurdeeg gevonden worden binnen jullie gebied. En aan je zoon zal je diezelfde dag vertellen en zeggen: Dit doen we omdat Jahweh ons uit Egypte , uit de slavernij gered heeft. Het zal u zijn tot een teken op uw hand, en tot een gedachtenis tussen uw ogen, opdat de wet van Jahweh in uw mond is, omdat Hij u door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft. Daarom, onderhoud deze inzettingen op de bestemde tijd, van jaar tot jaar.

Het zal ook gebeuren als Jahweh u in het land van de Kanaänieten gebracht heeft, zoals Hij u en uw vaderen beloofd heeft, en Hij het u gegeven zal hebben. Dan zult u elk geboren leven, ook het leven van de dieren die u hebt, aan Jahweh geven; de mannetjes zullen van Jahweh zijn. Maar alles wat geboren wordt uit een ezelin, zul je vrijkopen met een lam; wanneer je dat niet vrijkoopt, dan zul je het ezelsveulen de nek breken: Maar wat de mensen betreft, alle eerstgeborenen onder uw zonen zult u vrijkopen. En als uw zoon op een dag zal vragen; waarom is dat? Dan zul je hem vertellen dat dit gedaan wordt, omdat Jahweh ons door een sterke hand uit de slavernij, uit Egypte gevoerd heeft. Want het gebeurde, toen Farao zich verhardde en ons niet wilde laten vertrekken, dat Jahweh alle eerstgeborenen in het land Egypte doodde, zowel van de mensen als van de eerstgeboren dieren; daarom offer ik Jahweh de mannetjes van alles wat de baarmoeder opent, maar alle eerstgeborenen onder mijn zonen koop ik vrij.

En het zal tot een teken zijn op uw hand en tot een voorhoofdbindsel tussen uw ogen; want Jahweh heeft ons door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd.

 

En zo gebeurt het als Farao het volk heeft laten vertrekken, dat Jahweh hen zo leidt dat ze niet via de weg gaan, die gaat over het land van de Filistijnen, hoewel deze korter is. Ze zullen spijt gaan krijgen en terug willen naar Egypte, vanwege confrontatie’s en strijd met de Filistijnen die dan onvermijdelijk zal zijn.

Jahweh leidt hen met een omweg door de woestijn langs de Schelfzee.

Zo trekt het volk Israel in slagorde van rijen van vijf uit het land Egypte. Ook neemt Mozes de beenderen mee van Jozef, want Jozef had ooit met een zware eed aan het het volk Israel bezworen, dat als Jahweh het volk zou komen halen, Hij ook de beenderen van Jozef met zich mee zou nemen.

Zo vertrekken ze uit Sukkoth, en legeren zich aan het einde van de woestijn in Etham. En Jahweh trekt voor het volk uit, overdag in een wolkkolom en nachts in een vuurkolom, zodat Hij als een licht voor hen uittrekt, dag en nacht. En nog de wolkkolom, nog de vuurkolom neemt hij weg voor het aangezicht van het volk.

 

 

 

* Later Nisan. Valt half maart /april in Gregoriaanse kalender. 

 

 

Als het volk op weg gaat naar Etham, trekken ze zoals geschreven vanuit Sukkoth, langs de Schelfzee

(= Rode zee) de woestijn door. De naam Sukkoth betekent; tent. Het volk staat aan het begin van een lange trektocht, waarbij ze ook zullen verblijven in tenten. Etham is een Egyptische naam met de betekenis: MET HEN . En dat is precies wat Jahweh is, Hij is met hen. Hij is voortdurend aanwezig, en hier zichtbaar aanwezig in de vuur- en wolkkolom. De woestijn is een genadeloos gebied, overdag bloedheet en nachts ijzig koud. Zo wordt het volk geleidt én beschermd door de wolk - en vuurkolom.

 

In Etham krijgen ze de opdracht om een stuk terug te gaan en zich te legeren voor Pi-hachirot, tussen Migdol én tussen de zee voor Baäl-Zephon.

Pi-hachirot is de monding in het onderste puntje van de Sinaï woestijn. Grenzend aan de Schelfzee. Migdol (betekenis; toren) is een versterkte Egyptische stad aan de grens van Egypte.

Ze moeten zich legeren vóór Baäl-Zephon. Dit is geen plaats, zoals je makkelijk zou kunnen opvatten, maar een enorm afgodsbeeld op de berg Tiran, met de naambetekenis; ‘Heer van het noorden’ *

Baäl-Zephon wordt door Egypte vereerd als een machtige god die regeert over de zee. Op deze door Jahweh gewezen plek zal een laatste, grote spirituele, en fysieke slag gaan plaatsvinden. Voor de neus van deze laatste ‘machtige god’, zal Jahweh het volk Israel via het gebaande pad door de Schelfzee gaan leiden, om vervolgens het hele Egyptische leger te vernietigen.

Iedereen zal nu weten dat Hij God is en heerst over al wat leeft en dat ook de natuurkrachten aan Hem gehoorzaam zijn. 

 

 

Weer zo'n geroofde titel die Jahweh toebehoort; 

Het Noorden, de woonplaats van Jahweh

de derde hemel. 

 

Job 37:22 

Uit het Noorden komt goud

bij God is een ontzagwekkende majesteit!’

 

 

 

 

 

 

Maar voor dit alles te gebeuren staat, zal Farao denken dat het hele volk Israel in de war is geraakt, de grote Baäl-Zephon heeft het volk Israel nu eindelijk in zijn macht gegeven,..het volk kan onderin dit gebied geen kant meer op, ze zijn nu makkelijk in te sluiten en te vernietigen!

Jahweh speelt nog één keer in op zijn gevoelens, de Farao verhardt zich nogmaals, en krijgt samen met zijn mensen spijt van het feit dat hij Israel heeft laten vertrekken.

 

Farao zegt; Waarom hebben wij dit gedaan? Dat wij Israel hebben laten vertrekken, we zijn onze slaven kwijt! En hij spant zijn strijdwagen in, en alle anderen met hem. Hij neemt zeshonderd van de beste, en goed toegeruste strijdwagens, ja, alle strijdwagens van Egypte, en evenzoveel mannen die nodig zijn.

 

 

 

Ze zetten de achtervolging in. De Egyptenaren jagen hen na en achterhalen het volk Israel op de plek waar zij zich gelegerd hebben, aan de zee. Al de paarden en de wagens van Farao en zijn ruiters, en zijn legereenheden; bij Pi-hachirot, voor Baäl-Zephon.

 

Als Farao dichtbij is gekomen en de Israëlieten zien het Egyptische leger voor hun ogen opdoemen, beginnen ze in grote angst te roepen naar Jahweh. En ze zeggen tegen Mozes: Heb je ons hierom, omdat er in Egypte niet genoeg graven waren, weggehaald, zodat we hier in deze woestijn zullen sterven? Waarom heb je dat gedaan, dat je ons uit Egypte weggehaald hebt? Hebben we eerder niet tegen je gezegd in Egypte, laat ons met rust? Laat ons de Egyptenaren dienen? Het is beter de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven!

Maar Mozes zegt tot het volk: Jullie moeten niet bang zijn! Vertrouw erop dat Jahweh Zich aan jullie zal bewijzen, Hij zal uitkomst en redding geven, want de Egyptenaren die jullie vandaag zien, zul je tot in de eeuwigheid niet weerzien! Jahweh zal voor u strijden, en u zult stil zijn.

Dan zegt Jahweh tegen Mozes: Wat roep je tot Mij? Zeg tegen het volk dat ze zich gaan klaarmaken om op te trekken. En gij, hef uw staf op, en strek uw hand uit over de zee zodat de zee zich doormidden zal splijten, dan zal het volk door het midden van de zee trekken, op het droge. Ik zal ervoor zorgen dat de Egyptenaren zich niet tegen laten houden om jullie achterna te gaan, en daarmee hun eigen ondergang tegemoet. Ik zal hierom verheerlijkt worden, om Farao, zijn legerscharen, zijn wagens en ruiters. Het zal tot Mijn eer zijn. De Egyptenaren zullen weten dat Ik Jahweh ben. En de Engel van God, die voor het leger van Israel uitgaat vertrekt, en Hij schaart zich achter het volk, ook de wolkkolom vertrekt van voor het aangezicht van Israel, en zet zich achter het volk.

Zo komen ze tussen het strijdleger van de Egyptenaren en de legerscharen van het volk Israel in te staan. De wolk beslaat het hele Egyptische leger met duisternis, zodat ze niet kunnen naderen tot het volk Israel, en andersom kan het ook niet gebeuren. Tegelijkertijd wordt de nacht verlicht voor de Israëlieten zodat ze zich gereed kunnen maken voor de doortocht.

Als Mozes zijn hand uitstrekt over de zee, dan begint Jahweh door een sterke oostenwind, die de hele nacht voortduurt, de zee te splijten, en een droog pad vormt zich in het midden.

En zo trekt het volk Israel via het droge pad door de zee, naar de overkant, een tocht van zo’n achttien kilometer. En het water is een muur aan hun rechter en aan hun linkerhand.

De Egyptenaren zetten de achtervolging in, en al de paarden van Farao, zijn wagens en zijn ruiters gaan ook over het pad door het midden van de zee.

In de vroegte van die morgen, ziet Jahweh vanuit de kolom van vuur en de wolk, neer op het Egyptische leger. Dan zorgt Hij dat ze verschrikt raken, door de wagenwielen van de strijdwagens af te stoten, zodat ze zo goed als niet meer vooruit kunnen komen. De Egyptenaren raken in paniek en slaan op de vlucht, weg van Israel, in het besef en de noodgedwongen erkenning dat ze te maken hebben met de Machtige en strijdbare God van Israel. Baäl-Zephon staat erbij en kijkt ernaar. 

 

 Dan zegt Jahweh tegen Mozes,: Strek uw hand uit over de zee, zodat de wateren weer terugkeren, over de Egyptenaren, over hun wagens en ruiters. Dan strekt Mozes zijn hand uit over de zee, en de zee voegt zich weer als één geheel tot haar oorspronkelijke kracht.

In die vroege morgen, vlucht het hele Egyptische leger recht in ‘de armen’ van het terug kerende water. In het midden van de zee worden ze bedolven en gaan ten onder. Er is er niet één die het overleeft. Maar het volk Israel ging op het droge, in het midden van de zee, en de wateren waren als een muur voor hen, aan hun rechter en aan hun linkerhand. Zo verlost Jahweh hun die dag uit de hand van het Egyptische leger.

De Israëlieten zien de Egyptenaren dood aan de oever van de zee. Zo zien ze de machtige hand van Jahweh, waarmee de Egyptenaren verslagen zijn, en het volk krijgt groot ontzag voor Jahweh, en voor Mozes en zijn dienstknecht.

 

 

Het volk Israel is op ontzagwekkende wijze uit de slavernij gehaald en bevrijdt uit het ‘kwaad van Egypte’ . Maar hoe haal je de slavernij uit een volk?.. Dat is weer een ander verhaal.

De reis door de woestijn gebruikt Jahweh om dit volk te leren om Zijn volk te zijn, voordat ze in het beloofde land aan gaan komen. Dat gaat met vallen en opstaan, radicaal en rigoureus. Maar ze hebben dan ook te maken met de enige en ware God. De God van Abraham, Isaak en Jacob. DE IK BEN DIE IK BEN. Hij is het die voor hen uittrekt.

 

Spreuken 3: 5 - 8

Vertrouw op Jahweh met heel uw hart, en steun op uw eigen inzichten niet. Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken. Wees niet wijs in uw eigen ogen; vrees Jahweh en wijk van het kwade. Het zal een medicijn zijn voor uw navel, en een bevochtiging voor uw beenderen.